
Home » autotheorie » Begrippenlijst autotheorie: alle termen voor je examen
De autotheorie zit vol begrippen die je snel moet herkennen tijdens het examen. Van voorrangssituaties tot verkeersborden en voertuigtechniek. Deze begrippenlijst geeft je een compact overzicht van de belangrijkste termen. Elk begrip is kort en duidelijk uitgelegd, zodat je snel kunt begrijpen wat ermee bedoeld wordt en het makkelijker onthoudt tijdens het oefenen.
| Afslaan | Van rijrichting veranderen naar links of rechts. |
| Bestuurder | Iemand die een voertuig bestuurt of begeleidt. |
| Blokmarkering | Onderbroken streep die een rijstrookscheiding aangeeft. |
| Doorgaand verkeer | Verkeer dat een weg volgt zonder af te slaan. |
| Gelijkwaardig kruispunt | Kruispunt zonder voorrangsborden of verkeerslichten. |
| Haaientanden | Wegmarkering die aangeeft dat je voorrang moet verlenen. |
| Inhalen | Een voertuig passeren dat in dezelfde richting rijdt. |
| Invoegen | Je aanpassen aan het verkeer bij het oprijden van een weg. |
| Kruispunt | Plaats waar wegen elkaar kruisen of samenkomen. |
| Links afslaan | Naar links van richting veranderen op de weg. |
| Rechts afslaan | Naar rechts van richting veranderen op de weg. |
| Rijbaan | Het gedeelte van de weg bestemd voor voertuigen. |
| Rijstrook | Een deel van de rijbaan voor een rij voertuigen. |
| Uitvoegen | De weg verlaten door naar een andere rijstrook te gaan. |
| Voorrang verlenen | Andere weggebruikers eerst laten gaan. |
| Voorrangsweg | Weg waarop bestuurders voorrang hebben op kruisend verkeer. |
| Voorsorteren | Op tijd de juiste rijstrook kiezen voor een manoeuvre. |
| Weghelft | De linker- of rechterkant van een rijbaan. |
| Autoweg | Weg waar alleen motorvoertuigen mogen rijden met een minimumsnelheid. |
| Autosnelweg | Weg met gescheiden rijbanen en geen kruisend verkeer. |
| Bebouwde kom | Gebied aangegeven met plaatsnaamborden waar specifieke verkeersregels gelden. |
| Bord | Officieel verkeersteken dat een regel, gebod of waarschuwing aangeeft. |
| Gebodsbord | Blauw rond bord dat aangeeft wat je verplicht moet doen. |
| Geslotenverklaring | Bord dat aangeeft dat een weg niet toegankelijk is voor bepaalde voertuigen. |
| Informatiebord | Bord dat extra informatie geeft over de weg of situatie. |
| Onderbord | Aanvullend bord dat extra uitleg geeft bij een verkeersbord. |
| Parkeerbord | Bord dat aangeeft waar je wel of niet mag parkeren. |
| Prioriteitsbord | Bord dat de voorrangssituatie op een kruispunt aangeeft. |
| Stopbord | Bord dat verplicht tot volledig stoppen voor de stopstreep. |
| Verbodsbord | Rond bord met rode rand dat aangeeft wat niet is toegestaan. |
| Verkeerslicht | Lichtsignaal dat het verkeer regelt met rood, oranje en groen. |
| Verkeersteken | Alle officiële borden, lichten en markeringen op de weg. |
| Voorrangsbord | Bord dat aangeeft wie voorrang heeft op een kruispunt. |
| Waarschuwingsbord | Driehoekig bord dat waarschuwt voor een gevaarlijke situatie. |
| Wegmarkering | Lijnen en tekens op het wegdek die regels of aanwijzingen geven. |
| Zebrapad | Oversteekplaats voor voetgangers met witte strepen op de weg. |
Ben jij klaar voor je theorie-examen?
Check je niveau en start direct met oefenen. Meer dan 3.000 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.
| Aanpassen snelheid | Je snelheid afstemmen op de situatie, zoals weer, verkeer en weg. |
| Anticiperen | Vooruitkijken en inspelen op wat er kan gebeuren in het verkeer. |
| Afstand houden | Voldoende ruimte bewaren tot je voorganger om veilig te kunnen reageren. |
| Besluitvaardigheid | Snel en duidelijk een keuze maken in een verkeerssituatie. |
| Defensief rijden | Rijden op een manier waarbij je rekening houdt met fouten van anderen. |
| Doorstroming | Hoe vlot het verkeer zich verplaatst zonder onnodige vertraging. |
| Gevaarherkenning | Op tijd zien en begrijpen van mogelijke risico’s in het verkeer. |
| Kijkgedrag | Hoe en waar je kijkt om situaties goed te kunnen inschatten. |
| Oplettendheid | Continu aandacht hebben voor wat er om je heen gebeurt. |
| Reactietijd | De tijd tussen het zien van een situatie en het uitvoeren van een actie. |
| Risicobewustzijn | Inzicht hebben in mogelijke gevaren en daar rekening mee houden. |
| Rijgedrag | De manier waarop iemand zich in het verkeer gedraagt. |
| Situatie inschatten | Beoordelen wat er gebeurt en wat je moet doen. |
| Spiegelen | In de spiegels kijken om verkeer achter en naast je te zien. |
| Veiligheid | Het voorkomen van gevaarlijke situaties voor jezelf en anderen. |
| Verkeersinzicht | Begrijpen hoe verkeerssituaties werken en wat er verwacht wordt. |
| Voorspelbaar rijden | Rijden op een manier die duidelijk is voor andere weggebruikers. |
| Waarnemen | Bewust kijken en signalen in het verkeer opmerken. |
| Afremmen | Snelheid verminderen door te remmen of gas los te laten. |
| Achteruitrijden | Rijden in tegengestelde richting van de normale rijrichting. |
| Blinde hoek | Gedeelte naast of achter een voertuig dat niet zichtbaar is in spiegels. |
| File rijden | Rijden in langzaam of stilstaand verkeer. |
| Gevaarlijke situatie | Situatie waarin kans is op een ongeval. |
| Keren | Je rijrichting volledig omdraaien op de weg. |
| Noodstop | Zo snel mogelijk stoppen om een ongeval te voorkomen. |
| Parkeren | Je voertuig stilzetten en verlaten voor langere tijd. |
| Ritsen | Om en om invoegen bij het samenkomen van rijstroken. |
| Slipgevaar | Situatie waarbij banden grip verliezen op het wegdek. |
| Spookrijden | Tegen de rijrichting in rijden op een weg. |
| Stilstaan | Voertuig kort tot stilstand brengen zonder het te parkeren. |
| Uitwijken | Plotseling van richting veranderen om een obstakel te vermijden. |
| Vluchtstrook | Strook langs de snelweg voor noodgevallen. |
| Voor laten gaan | Een ander eerst laten rijden zonder dat dit verplicht is. |
| Wegwerkzaamheden | Situaties waarbij aan de weg wordt gewerkt en regels kunnen afwijken. |
| Zicht belemmering | Situatie waarin je niet goed kunt zien wat er gebeurt. |
| Zijwind | Wind die van opzij komt en invloed heeft op de stabiliteit van het voertuig. |
Ben jij klaar voor je theorie-examen?
Check je niveau en start direct met oefenen. Meer dan 3.000 oefenvragen, 60 oefenexamens een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.
| ABS | Systeem dat voorkomt dat wielen blokkeren bij hard remmen. |
| Achterlichten | Lichten aan de achterkant die je zichtbaar maken voor verkeer achter je. |
| Airbag | Opblaasbaar kussen dat bescherming biedt bij een botsing. |
| Bandenspanning | De hoeveelheid lucht in een band, belangrijk voor grip en veiligheid. |
| Remweg | De afstand die je aflegt vanaf het remmen tot stilstand. |
| Remsysteem | Het geheel van onderdelen dat zorgt voor het afremmen van het voertuig. |
| Dimlicht | Verlichting die je gebruikt bij normaal rijden in het donker. |
| Gordel | Veiligheidsriem die inzittenden beschermt bij een botsing. |
| Grootlicht | Sterke verlichting voor goed zicht buiten de bebouwde kom zonder tegenliggers. |
| Kenteken | Uniek nummer waarmee een voertuig geregistreerd is. |
| Koppeling | Onderdeel waarmee je schakelt tussen versnellingen. |
| Motor | Het onderdeel dat het voertuig aandrijft. |
| Mistlicht | Extra verlichting bij slecht zicht door mist of zware regen. |
| Reactieafstand | Afstand die je aflegt tijdens je reactietijd. |
| Richtingaanwijzer | Knipperlicht waarmee je aangeeft dat je van richting verandert. |
| Schakelbak | Systeem waarmee je de versnellingen van een voertuig regelt. |
| Stuurbekrachtiging | Systeem dat het sturen lichter en makkelijker maakt. |
| Veiligheidsvoorziening | Onderdeel dat bedoeld is om letsel of schade te beperken. |
| Brandstofverbruik | De hoeveelheid brandstof die een voertuig gebruikt over een afstand. |
| CO2-uitstoot | Hoeveelheid koolstofdioxide die een voertuig uitstoot. |
| Defensief rijden | Rijstijl waarbij je rekening houdt met fouten van andere weggebruikers. |
| Duurzaam rijden | Rijden met zo min mogelijk belasting voor het milieu. |
| Eco-rijden | Rijstijl gericht op laag brandstofverbruik en minder uitstoot. |
| Gelijkmatig rijden | Rijden zonder onnodig remmen of versnellen. |
| Stationair draaien | Motor laten draaien terwijl het voertuig stilstaat. |
| Schakelmoment | Het moment waarop je overschakelt naar een andere versnelling. |
| Toerental | Het aantal omwentelingen van de motor per minuut. |
| Verkeersdoorstroming | Hoe soepel verkeer zich verplaatst zonder opstoppingen. |
| Verantwoord rijgedrag | Rijden met aandacht voor veiligheid, milieu en andere weggebruikers. |
| Vroeg opschakelen | Tijdig naar een hogere versnelling gaan om brandstof te besparen. |
| Zuinig rijden | Rijden op een manier die brandstofverbruik vermindert. |
Klaar om te oefenen?
3250 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.

Klaar om te oefenen?
3250 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.

Leer meer over autotheorie