
Home » autotheorie » Voorrangsregels volgens de autotheorie
Voorrangsregels bepalen wie er op een kruispunt als eerste mag rijden. Ze lijken op het eerste gezicht simpel, maar in de praktijk spelen er meerdere regels tegelijk. Weet je niet welke regel wanneer geldt, dan raak je op een kruispunt in de war. Dit artikel legt de voorrangsregels uit zoals het CBR ze verwacht: overzichtelijk, compleet en met aandacht voor de uitzonderingen die op het examen het vaakst terugkomen.
Op een gelijkwaardig kruispunt, waar geen borden of markeringen aangeven wie voorrang heeft, geldt één basisregel: verkeer van rechts gaat voor. Kom jij van rechts, dan heb je voorrang. Komt er iemand van rechts op jou af, dan verleen jij voorrang. Deze regel geldt voor alle bestuurders: automobilisten, fietsers en bromfietsers.
Toch zijn er situaties waarin voorrang van rechts niet opgaat. Die uitzonderingen zijn belangrijk, want ze komen op het examen regelmatig terug.
Haaientanden
Staan er haaientanden op de weg, dan moet je voorrang verlenen aan het verkeer op de kruisende weg. Dat geldt ook als dat verkeer van links komt. De markering op de weg gaat boven de basisregel.
Tram
Een tram heeft altijd voorrang, ook als die van links komt. Die regel kent twee uitzonderingen: bij haaientanden moet ook een tram voorrang verlenen aan het kruisende verkeer en bij een zebrapad moet een tram voetgangers laten oversteken.
Noodvoertuigen
Een politieauto, ambulance of brandweerauto met zwaailicht én sirene heeft altijd voorrang, ongeacht de richting waar het voertuig vandaan komt.
Voetgangers
Voetgangers zijn geen bestuurders. Voorrang van rechts geldt daarom niet voor een voetganger die van rechts de weg op stapt. Verderop in dit artikel staan de situaties waarin je wél voorrang aan voetgangers moet verlenen.
Onverharde weg
Komt een bestuurder van een onverharde weg, dan vervalt zijn voorrang van rechts. Verkeer op de verharde weg gaat voor, ongeacht de richting.
Rechtdoor op dezelfde weg gaat voor
Wil jij afslaan, dan geef je voorrang aan al het verkeer dat op dezelfde weg rechtdoor rijdt of loopt. Dat geldt voor tegemoetkomend verkeer én voor verkeer dat van achteren komt. Ook fietsers en voetgangers op diezelfde weg hebben in deze situatie voorrang op jou.
Borden, lichten en verkeersregelaars
Verkeersborden, stoplichten en aanwijzingen van een verkeersregelaar of politieagent gaan altijd boven de basisregel. Zie je een voorrangsbord, haaientanden of een rood stoplicht, dan bepalen die wat je doet.
De moeilijkheid van de voorrangsregels van de autotheorie zit doorgaans niet in de theorie zelf, maar in het toepassen van de regels op complexe verkeerssituaties. Deze inzichtvragen vormen een groot deel van het theorie-examen auto.
Op een kruispunt spelen soms meerdere regels tegelijk. Weten welke regel in welke situatie geldt, is precies waar veel theoriestudenten op vastlopen.
Slaan twee bestuurders op hetzelfde kruispunt allebei af, dan heeft degene met de korte bocht voorrang op degene met de lange bocht. Wie rechtsaf slaat, maakt de korte bocht. Wie linksaf slaat, maakt de lange bocht en moet dus wachten.
Deze regel geldt niet voor trams: een afslaande tram heeft altijd voorrang, ook op een bestuurder die de korte bocht maakt.
Sla je linksaf, dan kruis je de rijlijn van tegemoetkomend verkeer. Dat tegemoetkomende verkeer heeft voorrang op jou, ook als het zelf ook linksaf slaat. Wacht tot de weg vrij is voordat je de bocht maakt.
Op de meeste rotondes in Nederland gelden haaientanden bij de inrit. Dat betekent dat verkeer dat al op de rotonde rijdt voorrang heeft op verkeer dat de rotonde oprijdt. Let op verkeersborden bij de inrit, want niet elke rotonde is hetzelfde ingericht. Op sommige rotondes geldt voor fietsers een afwijkende voorrangsregel.
Een voorrangskruispunt herken je aan bord B3, B4 of B5. Verkeer op de kruisende weg ziet bord B6, de omgekeerde driehoek met rode rand. Rijd jij op de voorrangsweg, dan heeft al het verkeer dat die weg kruist voorrang te verlenen aan jou, ongeacht de richting waar zij vandaan komen.
Verkeersbord B3
Verkeersbord B4
Verkeersbord B5
Verkeersbord B6
Fietsers zijn volwaardige verkeersdeelnemers en vallen onder dezelfde voorrangsregels als andere bestuurders. Voorrang van rechts geldt voor een fietser die van rechts komt, en wie rechtdoor fietst op dezelfde weg heeft voorrang op een afslaande bestuurder.
Voetgangers vallen buiten de categorie bestuurders, waardoor voorrang van rechts niet automatisch op hen van toepassing is. Er zijn drie situaties waarin je toch voorrang aan een voetganger moet verlenen.
Zebrapad
Staat een voetganger op een zebrapad of is hij al begonnen met oversteken, dan stop je.
Blind of slecht ter been
Een voetganger met een witte stok heeft altijd voorrang, ongeacht de richting. Hetzelfde geldt voor voetgangers die zichtbaar moeite hebben met bewegen. Bij twijfel laat je de voetganger altijd gaan.
Rechtdoor op dezelfde weg
Loopt een voetganger rechtdoor op dezelfde weg waarop jij wilt afslaan, dan heeft hij voorrang op jou. Deze regel geldt ook voor fietsers.
Ben jij klaar voor je theorie-examen?
Check je niveau en start direct met oefenen. Meer dan 3.000 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.
Sommige verkeerssituaties vallen buiten de standaard voorrangsregels. Voer jij een bijzondere manoeuvre uit, dan geef je altijd voorrang aan al het overige verkeer, inclusief voetgangers en fietsers.
Uitrit
Verlaat je een uitrit, een erf of een parkeerterrein, dan geef je voorrang aan alles op de weg waar je op uitkomt. Voorrang van rechts speelt hier geen rol. Je herkent een uitrit vaak aan een verhoogde drempel of een doorlopend trottoir voor de inrit.
Achteruitrijden, parkeren, invoegen en uitvoegen
Rij je achteruit, je parkeert, je voegt in op een rijbaan of je verlaat die rijbaan weer, dan geldt dezelfde regel. Al het verkeer dat zijn normale weg vervolgt heeft voorrang op jou. Jij bent degene die een beweging maakt die buiten de normale verkeersflow valt, en dus ben jij degene die wacht.
Voorrangsregels kennen en voorrangsregels toepassen zijn twee verschillende dingen. Iemand die de regels uit zijn hoofd kent, kan op een kruispunt alsnog aarzelen omdat hij de situatie niet herkent. Oefenen met echte examenvragen traint precies dat: je leert niet alleen de regel, maar ook het moment waarop hij geldt.
Veel studenten merken dat ze de basisregels snel doorhebben, maar blijven struikelen over de uitzonderingen. Welke regel wint het van welke andere regel? Precies daar helpen ezelsbruggetjes. Ze maken abstracte uitzonderingen concreet en makkelijker op te roepen onder tijdsdruk.
Klaar om te oefenen?
3250 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.

Klaar om te oefenen?
3250 oefenvragen, 60 oefenexamens, een videocursus en nog veel meer. En dat voor één prijs.

Leer meer over autotheorie